De top van de internationale singer-songwriters

Lepels

Het eerste wat wij op straat hoorden in het Engelse Mansfield was Russisch. Mijn vriendin herkende dat, ze had het ooit nog gestudeerd. Toen vulde de straat zich met nog andere Slavische geluiden en een mooie Afrikaanse dame ons blikveld; via een vriendelijke mijnheer die ons in 'paki-Engels'de weg wees, kwamen wij vervolgens in de Cow Tow Folkclub terecht .
Hier was de tijd stilgezet in 1974. Rijen lange banken in de lengte opgesteld met in het midden een gangpad. De banken werden bevolkt door allemaal grijze of grijzende mensen in kledij die deed denken aan het Engelse platteland anno 1860.Er werd goedgemutst gebabbeld. Vrouwen op leeftijd, ooit schoonheden, straalden alsof ze zojuist in een 'New day morning'het licht hadden gezien en de mannen droegen hun baarden 'proudly'.Dit hadden ze toch maar mooi voor elkaar, kon je proeven, dit eiland in de tijd, en toen een voorzanger uiterts krakkemikkig iets van Dylan inzette hadden deze folkies geen aansporing nodig. Al wiegende werd er luidkeels meegezongen.

Wat kwamen wij hier doen? Dit is een buurthuis, dacht ik. Zo meteen gaan ze collectief breien!

Eenmaal begonnen aan onze set, wij met z'n tweetjes met onze mooie eigen liedjes, werd er aanvankelijk aandachtig geluisterd. Maar gaandeweg hoorde ik wat geneurie en wat gehum. Dit publiek kon er zich niet bij neerleggen dat het ons repertoire niet kende en zodra men maar iets in een refrein dacht te herkennen trachtte men mee te doen. Meestal moet je heel veel moeite doen om de mensen mee te krijgen, maar hier was het andersom. Ze wilden per se zingen en niet alleen zingen.
Ik had hem al zien zitten. Twee priemende ogen met daarnaast in zijn borstzak twee blinkende lepels; het percussiemateriaal van een folkie. Hij had een baard tot aan het derde knoopje van zijn bloes. Pardon, boezeroen moet ik zeggen, en zijn hele outfit deed denken aan een bolsjewiek uit Dokter Zjivago. Deze man zat in de startblokken, klaar om met ons mee t e doen of we het nou wilden of niet. En ja hoor, ineens zat hij daar, op het podium, naast de zangeres. Fanatiek liet hij zijn lepels tussen zijn hand en dijbeen op en neer kletteren, rakketitakketitakketitak, glunderend, zonder ook maar enigszins te luisteren naar het tempo waarin ik speelde.
Deze man was niet van het podium af te branden en het publiek vond het normaal: dat is wat John nu eenmaal doet en dit is wat wij gewend zijn. 'Get used to it' en iets triomfantelijks hing in de lucht.
Wij gingen in de tegenaanval( 'we laten ons door die pantoffel toch niet overrulen…'); met een langzame song in bossa-ritme en een deun met ritmewisselingen brachten we deze neprus in verlegenheid. Hij bond in en iets versteende in het publiek.
Wij brachten onze set tot een einde. Men kocht wat cd's, dat wel. 'That was a marvellous show, old boy', en daarbij klopten ze ons op de schouders. Of maanden ze ons te vertrekken?
De voorzanger nam weer plaats op het podium. Donovan deze keer. Met een gevoel van opluchting viel de zaal hem bij; Lepelmans, gelijk koning Bolo, glorieus rikketikkend, in hun midden.
Het was duidelijk, het ging hier niet om de artiest maar om het publiek, de samenzwering, de folkgemeente.